GEEN BODEM IN ‘T ZICHT VAN GROEN-WITTE KELK

Voor de derde maal is groen-wit opnieuw in diepe rouw bij het overlijden van een familielid van één van onze clubleden. Op tachtig jarige leeftijd overleed onlangs de moeder van Wilfried Vos.

Onze huidige voorzitter, wij kennen hem beter als “de FI”, was al vele jaren betrokken bij het groen-witte gebeuren en na een carrière als speler, en nadien als bestuurslid, klom bij uiteindelijk tot op de hoogste trap van de groen-witte ladder.

Onnodig dan ook om te melden dat Fi bij Hoekske sport meer dan zijn sporen heeft verdiend.

Groen-wit houdt er aan om de gevoelens van innig medeleven aan te bieden aan voorzitter Fi en aan de verdere leden van de familie Vos-Ruts, bij dit overlijden van hun dierbaar familielid.

Nog steeds is alle voetbalactiviteit heel ver weg. Tenminste toch voor wat het arbeidersvoetbal betreft. Wie had gehoopt dat we vanaf september met de puntenwinst van onze B-ers, en ondanks de twee forfaits (Bosvlinders en Barrier) voor de hoofdtenoren, terug aan de bak konden komen, had het helemaal mis. De reden hiervan is meer dan voldoende gekend en het nooit geziene misbaksel zorgde er zelfs voor dat de eindmeet van de vorige competitie niet kon worden bereikt. Voor wanneer we terug het voetbalveld in kunnen weten we nog steeds niet. Tot vervelens toe dienen we teleurgesteld te melden dat we dat allemaal moeten afwachten.

Intussen ligt ons Deliasstadion er verlaten bij en dat doet ons terug grijpen naar een artikel in ons clubblad van destijds (november 1984). Een bezoek aan het veld van toen kon ooit doen vermoeden dat het nu voor zo’n lange tijd inactief zou blijven.

“”” 18/11/1984, namiddag : Een droevige, druilerige motregen donst zachtjes op de grauwe grasmat.

Twee donkere raven staren roerloos naar een eenzame fietser die, ineengedoken onder zijn doorweekte pet, geen enkel oog heeft voor de wei, die er volkomen stil bij ligt.

De verlichtingspalen schijnen meer dan ooit te versomberen in het trieste herfstweer en zij hebben al lang geen statige gestalte meer, die ze trouwens ook nooit hebben gehad.

De grijze metalen lichten lijken te wenen, ginds hoog tegen de kruinen en met ongeregelde pozen vallen hun tranen zwaar tegen de grond en boren langzame trechtertjes in de bodem, waarin de oude betonmassa blijkbaar voor eeuwen zit in gekluisterd.

Zelfs de eiken en berken op onze natuurlijke zuiderheuvel verloren hun zomergloren en alles wordt stijf. Alleen het zwaar vallen van een late brozen eikel doet nog enkele schaars gebleven blaadjes trillen. Dan is hij gereed om te sterven in het mos, op de donkere plekken, thans verstoken van alle licht en leven.

De raven pikken nog enkele grassprietjes mee om dan, moe en zwaar, één na één, in de asgrauwe hemel boven de ontroerde dennentoppen op te vliegen. Even nog kan je ze zien, even nog hoor je hun akelig gekraai. Dan worden ze schimmenstipjes en plots zijn ze verdwenen.

Het wordt koud, het wordt winter. Weldra zullen eerste sneeuw en vorst zich melden. Alles is klaar voor de ijskoude nachten …

Maar op een dag zullen we zien dat de varens en bremstruiken, de berken en dennen opnieuw zullen open bloeien. We keren dan terug naar het veld om met nieuwe moed onze sporttaken aan te vatten … “””.

Reken maar dat zelfs corona ons dan niet meer zal kunnen tegenhouden.

(deels clubblad HS, november 1984).